Sluier

  • Bedekking

–  Exodus 34: 32-33  ‘Toen Mozes zijn toespraak, na alles wat God hem op de berg Sinaï gezegd had, beëindigd had deed hij een doek over zijn gezicht’. Het was gewoonte dat mannen van God’ zich bedekken omdat God in hen woont.

– Jesaja 40: 22 ‘ Hij – God- spreidt de hemelen uit als een sluier, en spant ze als een tent waarin men wonen kan’.

– 2 Korinthiërs 3: 18 ‘Tot op heden ligt er een sluier op hun hart…… Maar telkens als iemand zich bekeert tot de Heer, wordt de sluier verwijderd. Welnu ‘de Heer’ staat hier voor de Geest, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.

 

  • Iets dat in beginsel aanwezig is maar nog aan het oog onttrokken is

sluier 'zo gauw zijn takken uitlopen, weet je dat de zomer in aantocht is'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.